The Project Gutenberg EBook of Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the copyright laws for your country before downloading or redistributing this or any other Project Gutenberg eBook. This header should be the first thing seen when viewing this Project Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the header without written permission. Please read the "legal small print," and other information about the eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is important information about your specific rights and restrictions in how the file may be used. You can also find out about how to make a donation to Project Gutenberg, and how to get involved. **Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** **eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** *****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** Title: Akbar Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer Release Date: October, 2004 [EBook #6712] [Yes, we are more than one year ahead of schedule] [This file was first posted on January 18, 2003] Edition: 10 Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR *** Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team. AKBAR EEN OOSTERSCHE ROMAN Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer INLEIDING De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indie in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer dan eene reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons publiek waag aan te bieden. Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende. Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim, zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuiet, en enkele anderen van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de geschiedenis van Indie, en in 't bijzonder van Kacmir, valt aan te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het drama en de legende van Indie ons wordt voorgesteld. Verscheidene gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar regeerden in Kacmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor 't overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld, geschiedde gedurende den togt niet tegen Kacmir, maar tegen Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf voor diens moord; Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van geen invloed zijn. In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken, voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst. Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en dat de berigten der Jezuieten uit het Hindostan van zijn tijd, schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers. Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen, waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eene bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons oud-koloniaal archief. Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing. Den Haag, October 1872. v. L. B. EERSTE HOOFDSTUK. Een kluizenaar Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon, weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinath, langs de steile hellingen van het Himalaya-gebergte, terwijl een zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te vinden voor het bestaan van het heelal. Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij onder eene andere gedaante als magtig Radja nog heerschte in het weelderig Kacmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn, waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde, dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn fijngeoefend oor. En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wel ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend, sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde schilden vormden hun wapentuig. Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den eersten minister van Kacmir en door zijn vader met het overbrengen van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar toekomstigen echtgenoot uit bleef zien. --Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige man ook soms zijn verhuisd? --Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet. --Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk en nog voor Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende. Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de been. --'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft afgebragt! Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den gestoorden togt voort te zetten. Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met te zeggen: --Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde! --Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur gemaakt met daar zoo om te rollen. --Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets anders. --Wat dan? --Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik vermoed. De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken voor 't bewonderend oog der reizigers uit. --Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada. En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden, dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen, waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige vlakte. Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in 't verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten. Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk. Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen, rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren, van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinath had genoemd, juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het Himalaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens innemende vriendelijkheid te gemoet kwam. Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen, en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest dan het ontvangen en opvolgen van bevelen. --Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers, die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen, maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en volk. Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel. --Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,-- daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen. --Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het magtige dier zieh aan de voeten des meesters. --Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een dwazen streek begingt? --Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist inderdaad niet .... --Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan. Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens! En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder, waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich voor Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte. Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet zien. --Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt mij dan volgen! En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet, bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen, eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende wijn werd aangeboden. --Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent, dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid. De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen, gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof van Kacmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die elkaar voor dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen, maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte. Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te onderdrukken. Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten uitbreidde. --En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen, ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon. Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte, wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke legersteden. De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak, ditmaal buiten gehoor van Koelloeka: --Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar een woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinath. Wilt gij mij dat belooven? --Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en drukte ze hartelijk. Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in gedachten verzonken naast zijn medgezel voort. Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde. --Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada! Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren, bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn leerling voor zijn ouden vriend. --Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u ooit in hem bedrogen te zullen zien. --Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada? --Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een kluizenaar in 't Himalaya-gebergte. --Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik ook wel; maar ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde? --Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar 't gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet gevraagd, wie hij was? --Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben goedgekeurd? --Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een Koning-- --Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde toen ik een kleine jongen was? --Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid. Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geeindigd, de woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in 't leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land. Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling. --Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo goed als elk ander bewoner van Kacmir. --Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken, althans waarschijnlijken ondergang. --Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is.... --Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader, zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is. --Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede, --waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch 't is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid! Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke omstandigheden goeden raad van noode had. --En gij hebt wel gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,-- houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan een onzer. Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd, een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans, in 't gelukkig bewustzijn wel te hebben gedaan, zich tevrede en zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis, met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben. Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis, het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid had bereikt: --Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati! --Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd onschadelijke kuilen! TWEEDE HOOFDSTUK. Iravati Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het tegenoverliggende land. Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden, een fijne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe ook zou die slanke, uitnemend geevenredigde gestalte, dat ovale, fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel eenvoud tevens had weten te paren als deze. Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?... Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek, waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort, gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend, maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig herkenbaar teeken zijner waardigheid. --Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur, uw vader, brengt u heden bezoek! --Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar vader te gemoet. --Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--voor eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kacmir, uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen. Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug. --Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf, gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen goeden naam. Thans, kom! En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun verschijnen stonden af te wachten. --Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet, zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad. De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke wijze zich op een knie voor zijn uitverkorene nederliet. --Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan, (en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),-- welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw eindelijke komst! --Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast verontwaardigd, uit,--dat ik een oogenblik langer dan noodig was mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard! --Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,-- en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader verneem, slechts kort zal mogen duren. --Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha! het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten, daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik voor ons middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene wijl mij willen volgen? Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati, door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde van het paleis op het hellend terras was aangelegd. Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem. --En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en, zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te helpen bevorderen. --Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft verhaald. --Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite waard. een raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen! Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen verwachting te beginnen. --Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een magtig vorst? --Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te worden voor de belangen van anderen. --Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden toon,--wanneer een man eenmaal zoo groote magt heeft erlangd als Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een geheim, in Kacmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder Nandigoepta. --Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog niet ter ooren gekomen. --Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en ware misschien ook, zoo ik wel zie, niet goed. Doch nu verder! Die oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van onze onafhankelijkheid. --Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,-- hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook, toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben? --En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen, maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf, onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de hoogte kunnen houden dan eenig ander. --Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als aarzelend,--is dat eerlijk? --Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte begrippen van eer! --Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen, nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en.... --Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk, waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet in dat eene. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was, laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland misschien nog mee redden van het naderend verderf? Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geeindigd te beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde, wel geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene. 't Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren behalve een enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd, regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding. Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze eene terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan een geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij niet terstond de giftige beet. --Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga- tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt. Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke wijze rekkend:-- --Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga, zijne glorierijke gemalin! Om! --Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit Kacmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb. --Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn, waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd, dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet. --Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't van mijn kant mij niet herinner.... --Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog. Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders, dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken, en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging: --Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader! De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan, vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal! En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!-- toeroepend, hem alleen liet in den hof. De laatste mededeeling van den Yogi was wel geschikt om Siddha's verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die, meende hij, alligt het raadsel kon oplossen. --Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken? --Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester gezien. --Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan! Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet er Koelloeka eens over spreken! Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld, het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver, besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar zich neder in het mos. --Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden gewisseld hadden! --Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet allen vergund, die in ons geval verkeeren. --Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn? --Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men weet dat het zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben alras zult vergeten.... --Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand." --Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden! Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij gemaakt? --'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst, waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poezie, en wat ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.-- En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen. --Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo schoon niet! --Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan! En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was. --Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt? --Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug. Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een weinig geidealiseerd portret. --Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de frissche rozeroode lippen gedrukt. --Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,-- nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret. --Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos. --Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige boeken zelf zoudt gaan kritiseren! --Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of daar mis hebben of smakeloos zijn, of.... --Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar? --Twijfelaar? Aan wat? --Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan.... --Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei theologische en philosophische vragen. --Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op! En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen watervlak. --Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat ons nu zien of hij mij trouw zal blijven! --Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek spel! Dat moet gij niet spelen! Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk op de kabbelende golfjes danste. --Trouw! trouw!--juichte zij.... Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water; het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween. --Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken, --mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen? --Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de uwe aan hem? --Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,-- vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven! Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst. Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati: --Ons zamenzijn, vriend! is geeindigd; daar komt Nipoenika, mijne dienares, ons waarschuwen. Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden, om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan den maaltijd te komen deelnemen. Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken te gaan opzoeken. Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei kostuum, in een woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken, even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest. --Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er ook iets dergelijks omging in zijne gedachten. Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde. Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika, hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest. Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de reizigers zich naar hunne vertrekken. Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat, aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere heiligdommen gedekte bergen verhieven. Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen? Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals daarop terug te brengen. Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur, en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning van wederom nieuwe figuren, die een voor een achter elkaar langs den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag. Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande, dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich, haastig ontkleed, op zijne legerstede. Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot een vast besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren. DERDE HOOFDSTUK. Agra Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt, sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen. Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen. Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen. 't Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van Kacmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij 't voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne reisgenooten terug. Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien, vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken onze reizigers verder. Meer dan een dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke verveling van den togt zich wel vergoed. Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van paleizen en moskeen, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste zandsteenen als uit een in het zonlicht glanzend granietblok scheen gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke stadbewoners en de moskeen met hare koepels en minaretten, en hier en daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wel was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden, ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor veroorzaakt. Een eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest! En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich voorstelde, misschien binnen kort voor dien man te zullen verschijnen en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem te moeten wisselen. Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de morgenzon glinsterenden stroom in de laagte. --Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad; en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken. Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg; Siddha in een tot de knieen reikend en op de met een parelsnoer behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig. De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde geschoven, en Aboel Fazl trad binnen. Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin, ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen. --'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet langzaam in 's Keizers dienst. --'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en die des Keizers hem hebben toegedacht. --Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig, alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader gewenscht voor hem acht? --Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch onwaardig zal maken. --Blijf trouw voor alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige instructien geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier? --Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar. --Zeg, dat ik hem hier wensch te zien! Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen. --Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kacmir, waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt. --Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn dan eer. --Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige belangen van Kacmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou 't u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd mij de voorrang ook gaarne door hem gegund. En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis. --Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan zien waar een bezoeker van Agra wel voor alles heengaat, het paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar is na uw morgenrid. --Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent. --Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen vergeten. Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond, ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden, waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel daarentegen te meer in het oog. --Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben. Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien. En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort. Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig mozaiekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest. --Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal open? --Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar over een paar dagen.... --Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,-- vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden. Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het zien toch ook nog wel waard mogen heeten. Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratorien ter vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting, de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd. Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren opgerigt. --Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij op. --Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen en paarden en jagt-luipaarden. --Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft een man, al is hij ook Shah Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles? --Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis, toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt, dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie. Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn Ain i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen. Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan; de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet veel aan, en dan verloopen we ook ons maal. --Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij hebt mij hier al haast den weg geleerd. Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid nemend, zeide hij: --Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel opzoeken. De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op dit oogenblik toch niet onwelkom was. Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's eigen vertrek. Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel, met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op, trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de voor het balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen. Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde, joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst. --Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien? --Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar dat alles is mij gebleken ver beneden de werkelijkheid te zijn. --Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij, Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben benieuwd weer eens iets van uw Kacmir te vernemen. Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige. --Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige, maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden, even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar; maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende, klassieke taal kon leeren verstaan. --Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen heeft gehad om 't mij te leeren. --'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad met het leeren der taal, hij heeft wel doen vergeten dat ze oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze Kacmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke navolging van Nala en Damayanti. --Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon, met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een overzetting van de Evangelien opgedragen. --Van de wat?--vroeg Koelloeka. --Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs, even als in uwe theosophien; maar over 't geheel geeft het niet bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde hij, zijne lofrede op oud-Indie's beschaving voortzettend,--dat zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die andere vergelijk! Al had ik er maar deze eene van u geleerd, ik zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar: "De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit, Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap." --Is 't zoo goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout? Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste vrijmoedigheid: --Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der daarin voorkomende woorden. --Nu, ik kom er nog al wel af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent er toch zeker wel een enkele van buiten. Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen: "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht." --Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kacmir nog wat anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de kunst van vleijen, mijn vriend! --Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker ook van Perzie doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden? --Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft, wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij, --niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man, die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien. --Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen? --Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even eerlijk op te kunnen antwoorden. --Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo? --Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad! Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen een. --Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden? --Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,-- hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er immers wel bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn broeder zelf en mij niet. --Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zoozeer prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik. --Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,-- en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te noemen. --Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet ver in; en als mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt dan de schitterendste feesten. --Niets liever, geeerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is 't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de vroegte reeds op 't appel zijn om zijn kommando over te nemen, en ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden zaken te regelen voor mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst? --Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen. En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug.... Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen? VIERDE HOOFDSTUK. Akbar Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens de noodige instructien van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van levenslust en moed. Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters eenige evolutien maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken. Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg: --Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit Kacmir moet zijn aangekomen? --Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen. --Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen hebben haar dat te gunnen? --Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres? --Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden. Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de waarschuwing van Aboel Fazl. --Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop ik, niet bevreesd.... --Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij, zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij tegen den bepaalden tijd bij de moskee! --Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was. Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof. Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene aangename rustplaats boden. Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had. Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak verklarend, voortging: --Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die betrekking? Zet u inmiddels! --Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij geplaatst hebben. --...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij, komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent? --Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden heb. --Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn rekbare woorden. --Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou kunnen verzekeren. --En gij zoudt wel doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk nadeel kon strekken? Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding: --Is Akbar niet eerzuchtig? --Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg gewaagd. --Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen. Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles.... --Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wel zult kennen! Maar nu dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzie tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kacmir, op zich zelve hem zoo buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor een enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het bereiken van zijn doel, en hoe ver, hoe ver, helaas! blijft hij daarvan ook heden nog verwijderd! Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders voor zich dan den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zoo een man jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen onmogelijk maakte. --Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven. Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de onbekende hem terughield en zeide: --Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend. --Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij of ongodisten zijt of afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan ongeloovige.... Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen. --Ongeloovigen dan, in een woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter hand gesteld! --Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien.... --Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen Islamiet,--wat verlangt gij van mij? --Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan.... --Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te matigen! --Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde hij,--nu van zijne z